Voor de beste ervaring schakelt u JavaScript in en gebruikt u een moderne browser!
Je gebruikt een niet-ondersteunde browser. Deze site kan er anders uitzien dan je verwacht.

Meer mensen sneller uit de schulden

In juni vorig jaar behandelde de Tweede Kamer het -inmiddels tot wet verworden- Wetsvoorstel Wijziging Faillissementswet ter verbetering van de doorstroom van de gemeentelijke schuldhulpverlening naar de wettelijke schuldsaneringsregeling Natuurlijke Personen. De achtergrond van dit wetsvoorstel is de breed gedeelde zorg dat maar een klein deel van de huishoudens met problematische schulden haar weg vindt naar de schuldhulpverlening en als zij de weg vindt, dat het vaak veel te lang duurt voordat er zicht is op een schuldenvrije toekomst. Bij de parlementaire behandeling bleek al snel dat de Tweede Kamer de wet steviger wilde wijzigingen dan het ministerie in het wetsvoorstel had verwoord. Zo diende de Kamer amendementen in om de duur van schuldregelingen te halveren naar 18 maanden, aflossingen in een minnelijk traject voortaan in mindering te laten brengen op een wettelijke schuldsanering en de voorwaarde uit de wet te schrappen dat mensen na een wettelijke schuldsanering in de tien daarop volgende jaren in principe geen toegang meer hebben.

Een reeks amendementen is geen samenhangend geheel

Voor elk van de aangenomen amendementen geldt dat helder is wat er mee wordt beoogd. En geen misverstand, al was dat niet duidelijk, een amendement is een belangrijk democratisch instrument om de Tweede Kamer haar rol te laten vervullen. Tegelijkertijd leverde de amendementen voor de schuldhulpverlening heel hoofdbrekens op. De wetswijzigingen en amendementen werden afgelopen 24 januari door de Tweede Kamer vastgesteld. Nog geen twee weken later stemde de Eerste Kamer er mee in en keken partijen in het veld elkaar vertwijfeld aan. Wettelijke schuldregelingen worden teruggebracht van 36 naar 18 maanden.

Wat is de betekenis daarvan voor looptijd van minnelijke schuldregelingen? Worden die ook gehalveerd? En wat betekent de verkorting voor mensen die al in een 36-maanden durende regeling zitten? Krijgen zij na de inwerkingtreding van de wet een verkorting van hun looptijd? Wat gaat dit betekenen voor de instroom bij schuldhulpverlening? Waarom zouden mensen zich nog melden als ze door even te wachten zo een half jaar tot een jaar korter kunnen aflossen? En hoe verhoudt de verkorting van de looptijd zich tot het amendement dat aflossingen in het minnelijke traject in mindering worden gebracht op de looptijd van een wettelijke schuldsanering? Kan het dan zo zijn dat mensen die al lange tijd in een minnelijk traject aflossen bij een verzoek om een wettelijke schuldsanering direct schuldenvrij worden verklaard? Amendementen kennen geen memorie van toelichting. Ze vormen ook niet vanzelfsprekend een geheel. Er was geen overgangswetgeving en onduidelijkheid alom.

Een nieuwe werkelijkheid ontlokt een reeks (overhaast) genomen beslissingen

De grote impact van de wijzigingen voor burgers, het ontbreken van overgangswetgeving en de krappe twee weken tussen de goedkeuring door de Tweede en Eerste kamer maakte dat iedereen zich realiseerde dat er heel snel allerlei beslissingen moesten worden genomen. Al vanaf de eerste berichten constateerden schuldhulpverleners dat burgers terughoudend werden om in te stromen in een schuldregeling. Om onder meer daarop te acteren nam Minister Schouten al voor de stemming in de Eerste Kamer de positie in dat ook de looptijd in het minnelijk traject gehalveerd moest worden. Die beslissing was niet genoeg om rust te brengen. De aankomende nieuwe werkelijkheid trok een dusdanige wissel op de vraag naar schuldregelingen dat de beoogde datum voor inwerkingtreding van 1 januari 2024 al snel werd ingeruild voor 1 juli 2023. De stroomversnelling die daarmee op gang kwam heeft op allerlei plekken nieuwe en grote druk gezet. Zo is de branchevereniging voor schuldhulpverlening, de NVVK, nog zoekend naar de impact op de uitvoering dat ze nog in kaart moet brengen wat de wijzigingen betekenen voor onder meer haar werkwijzen terwijl de wijzigingen al realiteit zijn. Ook doet het er -als je problematische schulden hebt- door snelle besluitvorming opeens toe in welke gemeente je woont. Zo heeft Amsterdam al vrij snel laten weten zij -bij gebrek aan een overgangsregeling- en onduidelijkheid over een mogelijke compensatie vanuit het Rijk er uit eigen middelen voor zal zorgen dat niemand nog langer dan 1,5 jaar afbetaalt. In andere gemeenten zijn afgelopen maand nog mensen gestart met schuldregelingen waar ze de komende drie jaar aan gaan afbetalen.

Ondanks een reeks aan snelle en vaak ook overhaaste beslissingen is er nog meer onduidelijkheid. Zo hebben Wsnp-bewindvoerders doorgaans het meeste werk aan een wettelijke schuldsanering in de eerste maanden dat deze loopt. De vergoeding voor de verrichtte werkzaamheden is echter een maandelijks bedrag. De gedachte is dat meer en minder werk zich over de maanden uitmiddelt tegen de vergoeding. Als gevolg van het enorme tempo is nog volstrekt onduidelijk wat de impact wordt van de halvering op het vergoeding van deze groep. Wordt de vergoeding gehalveerd of wordt er een aanpassing gemaakt die recht doet aan de eerste vaak arbeidsintensiever maanden? Er moeten dus ook nog een aantal belangrijke beslissingen worden genomen.

Er is behoefte aan een doenvermogenstoets voor de uitvoering

In 2017 publiceerde de WRR het rapport Weten is nog geen doen. De belangrijkste boodschap in dit invloedrijke rapport luidt dat het van belang is dat de overheid rekening houdt met het doenvermogen van haar burgers. Als afgeleide van dit rapport ontwikkelde de WRR voor de uitvoering van publieke dienstverlening de zogenaamde ‘doenvermogentoets’. De kernvraag van deze toets luidt: gaat de regeling uit van realistische assumpties over de mentale belastbaarheid van burgers?

Wie een half jaar ontwikkelingen in de schuldhulpverlening beschouwt, kan haast niet anders dan zich afvragen of de uitvoering zelf niet ook een doenvermogentoets nodig heeft. De kernvraag van deze toets luidt dan: gaan de voorgenomen wijzigingen uit van realistische assumpties over het absorptievermogen en implementatie van de uitvoering? Waarbij mijn gedachte niet is dat (wets)wijzigingen bij een ontkennend antwoord niet doorgaan. Maar wel dat er dan ook een antwoord wordt geformuleerd op de vraag wat de uitvoering nodig heeft om de voorgenomen wijzigingen op een realistische wijze te implementeren. Dit in plaats van de onmogelijke manier waarop zij de afgelopen maanden toch vrij onverwacht probleemeigenaar werd van hoge verwachtingen van burgers veroorzaakt door goed bedoelde amendementen.